Geschiedenis van de Shetland Sheepdog

De Shetland Sheepdog, door liefhebbers, kortweg Sheltie genoemd, is afkomstig van de Shetland Eilanden. De boeren van de Shetland Eilanden hadden behoefte aan een kleine, sterke hond om hen te helpen bij de diverse werkzaamheden op en rond de boerderij. Het werk van de Sheltie bestond uit het bijeen houden van de kleine kudde schapen, het voorkomen dat de schapen zich aan de op de akkers groeiende gewassen te goed deden en het waarschuwen bij onraad door te blaffen.

Omdat de boeren in tijd van voedselschaarste genoodzaakt waren hun schapen op kleine, onbewoonde eilanden onder te brengen, moest de Sheltie in staat zijn zelfstandig te werken. Het uiterlijk van de hondjes was voor de boeren van geen belang. Wel moesten ze bestand zijn tegen het klimaat, dat getypeerd werd door regen, storm en mist.

De Shetland Sheepdog (Sheltie) is nog een vrij jong ras. Waarschijnlijk stamt het ras af van Scandinavische herdershonden waar ook de Noorse Buhund  of de IJslandse hond van afstammen. De Noorse herdershonden worden zelden vermeld in de geschiedenis van het ras, maar er is genoeg reden om te veronderstellen dat de originele Noorse kolonisten die naast hun kleine schapen, koeien en paarden ook hun honden meebrachten. Er is archeologisch bewijsmateriaal van dergelijke honden van vóór de overdracht van de Shetland Eilanden aan Schotland. Het is aannemelijk dat toen de grotere schapen op de Schotse eilanden werden ingevoerd, deze werden vergezeld door working collies waarvan later de huidige Schotse Collie en Border Collie afstammen. Maar ook andere Schotse honden zullen zijn geïmporteerd. Daarnaast zullen de honden zijn gekruist met honden van de vissersvloten, in het bijzonder met de IJslandse hond en de Yaki.                                     

 Noorse Buhund.

Omstreeks 1900 kreeg de Sheltie meer bekendheid buiten de Shetland Eilanden. Bezoekers raakte onder de indruk van de kleine, sierlijke hondjes en namen ze met zich mee.  In 1929 kwam de eerste Sheltie naar Nederland. (hier links een van de eerste shelties in Nederland. )

Het eerste in Nederland geboren nestje Shelties was op 20 mei 1930. (foto links)

Ras Standaard

 

Algemeen voorkomen:

 

De Sheltie is een kleine, langharige werkhond van grote schoonheid, in geen enkel opzicht lomp of grof.  Symmetrische belijning zó, dat geen enkel deel van de hond buiten verhouding is, als men de hond in zijn geheel beschouwt. De overvloedige vacht, manen en kraag, de lijn, die het hoofd vormt en de lieve uitdrukking vormen met elkaar het ideale beeld.

 

Karakteristieke kenmerken:

Oplettend, vriendelijk, intelligent, sterk en actief.

 

Temperament:

Aanhankelijk en toegewijd voor de eigenaar, afstandelijk tegenover vreemden, nooit zenuwachtig.

 

Hoofd en schedel:

Een zuiver belijnd  hoofd, dat van boven of van opzij gezien een lange stompe wig vormt, die van het oor naar de neus smaller wordt. De breedte van de schedel moet evenredig zijn aan de lengte van de schedel en aan de lengte van de voorsnuit, waarbij het geheel in verhouding tot de maat van de hond bekeken moet worden. De schedel moet vlak zijn, matig breed tussen de oren, terwijl de achterhoofdknobbel niet mag uitsteken. De wangen vlak en vloeiend overgaand in een mooie ronde voorsnuit. De schedel en de voorsnuit moeten van gelijke lengte zijn, gemeten vanuit het binnenste van de ooghoek. De bovenkant van de schedel moet parallel lopen met de bovenkant van de snuit, met een lichte, maar duidelijke stop. Neus, lippen en oogranden zwart. De uitdrukking, die zo kenmerkend is voor het ras, wordt verkregen door het volmaakte evenwicht en samengaan van schedel en voorsnuit, de vorm, kleur en plaatsing van de ogen en juist geplaatste en gedragen oren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Snuit:

De kaken gelijk aan elkaar, welgevormd en sterk met een goed ontwikkelde onderkaak. Lippen strak. Gebit gaaf met een volmaakte, regelmatige en compleet scharende beet, d.w.z. het bovengebit moet het ondergebit dicht overlappen en met de kaken een rechte hoek vormen. Een compleet gebit met 42 juist geplaatste tanden en kiezen is hoogst gewenst.

 

Ogen:

Middelmatig groot en schuin geplaatst, amandelvormig. Donkerbruin (behalve bij Blue Merles, waar een of beide ogen blauw mogen zijn of met blauwe vlekjes).

 

Oren:

Klein matig breed bij de aanzet, mooi dicht bij elkaar geplaatst boven op de schedel. In rust naar achter gelegd, bij aandacht naar voren gebracht en half opgericht gedragen met de tip naar voren vallend.

 

Hals:

Gespierd, goed gebogen, lang genoeg om het hoofd trots te kunnen dragen.

Voorhand:

De schouderbladen zeer goed naar achter geplaatst. Bij de schoft worden zij slechts door de wervels gescheiden, maar de schouderbladen moeten schuin naar buiten aflopen, zodat de ribben de gewenste welving kunnen hebben. Schoudergewricht goed gehoekt. Bovenarm en schouderblad ongeveer gelijk in lengte. De afstand schoft tot elleboog en elleboog tot grond moet gelijk zijn. Het voorbeen moet van voren gezien recht zijn, gespierd en goed gevormd met sterke botten. Polsen sterk en soepel.

 

Lichaam:

Van de schouderpunt tot aan het laagste punt van het kruis een klein beetje langer dan de schofthoogte. Borst diep, tot de punt van de elleboog reikend. Ribben goed gewelfd, terwijl de onderste helft naar beneden toe smal toeloopt, zodat de schouders en de voorbenen zich vrij kunnen bewegen. Rug recht, de lendenen sierlijk belijnd, het kruis geleidelijk naar achter aflopend.

 

Achterhand:

De dijen breed en gespierd, terwijl de botten van het dijbeen met het bekken een rechte hoek vormen. Het kniegewricht heeft een duidelijke hoeking, het spronggewricht is strak belijnd, scherp gebogen, fraai naar beneden aflopend, met sterke botten. Het spronggewricht moet van achter gezien recht zijn.

 

Voeten:

Ovaal, de zolen goed gevuld, de tenen gebogen en dicht bij elkaar.

 

Staart:

Laag aangezet, de staartwervels lopen puntig naar boven gebogen. Mag bij beweging iets hoger gedragen worden, maar nooit boven de ruglijn uitkomen. In geen geval geknikt.

 

Gangwerk:

Lenig, vloeiend en sierlijk, met stuwing uit de achterhand, de hond moet met zo weinig mogelijk inspanning een zo groot mogelijk oppervlak van de grond beslaan. In telgang lopen, breien, rollen of een stijf gangwerk, waarbij de benen stijf en steil op en neer worden bewogen, is hoogst ongewenst.

 

Vacht:

Dubbele Vacht , bovenvacht met lang, hard en recht haar, ondervacht zacht, kort en dicht. Kraag en manen zeer overvloedig, de voorbenen fraai bevederd. De achterbenen boven het spronggewricht rijkelijk met haar bedekt, onder het spronggewricht met kort haar. Snuit en voorhoofd met kort haar. Exemplaren met kortharige vacht hoogst ongewenst.

 

Maat:

Ideale hoogte aan de schoft gemeten: reuen 37 cm (14,5 inch), teven 35,5 cm (14 inch). Meer dan 2,5 cm boven of onder deze hoogte hoogst ongewenst.

 

Kleuren van de Sheltie:

  • Sables: Effen of met zwarte haarpunten, elke kleurnuance tussen licht goudkleurig en mahoniekleurig, maar wel warm van tint. Wolfskleurig sable en grijs sable ongewenst.

  • Tricolour: Diep zwart op het lichaam met warmbruine (tan) en witte aftekening

  • Zwart-wit: Diep zwart op het lichaam met witte aftekening

  • Blue Merle: Helder zilverkleurig blauw, zwart gemarmerd en met zwarte vlekjes. Bij voorkeur met warmbruine (tan) aftekening, maar het ontbreken daarvan wordt niet als fout gerekend. Zware zwarte platen, lei-of roestkleurige tinten in boven- en ondervacht hoogst ongewenst, de algemene indruk moet blauw zijn.

  • "Bi-Blue": Blue merle zonder tan aftekening.

  • Black and Tan: Driekleur zonder wit aftekening; is zeer waarschijnlijk inmiddels uitgestorven, maar is nog wel een erkende kleur bij de Sheltie.

 

Beschrijving van de Sheltie:

De Sheltie is een opgewekte, intelligente hond. Hij is geïnteresseerd in alles, wat er om hem heen gebeurt en bemoeit zich overal mee. Het is voor hem heel belangrijk te weten, dat hij gewaardeerd wordt. Daarom probeert hij steeds zijn baas een plezier te doen. Hij moet daartoe zeker de gelegenheid krijgen anders zoekt hij er zelf één. Eén van de van nature aangegrepen gelegenheden vormt het waken. Wat de Sheltie daarbij te kort komt aan grootte, wordt gecompenseerd door zijn luidruchtigheid. Met een goede opvoeding is die luidruchtigheid wel wat in te dammen, maar dit vereist veel geduld en doorzettingsvermogen. Een Sheltie staat gereserveerd ten opzichte van vreemden. Deze gereserveerdheid mag niet verward worden met angst.

Een echte Sheltie kijkt de kat uit de boom en blijft op een afstand, totdat hij ziet, dat de vreemden geaccepteerd worden door zijn baas. Hij beslist zelf of hij naar hen toe zal gaan. Zo is ook een goede begeleiding bij de kennismaking met kinderen van groot belang. Niet alle pups komen immers bij de fokker met hen in contact. Deze begeleiding is noodzakelijk om te voorkomen, dat gereserveerdheid omslaat in nerveus gedrag. Algemeen voorkomen: Een kleine, langharige werkhond van grote schoonheid, in geen enkel opzicht lomp of grof.  Symmetrische belijning zó, dat geen enkel deel van de hond buiten verhouding is, als men de hond in zijn geheel beschouwt. De overvloedige vacht, manen en kraag, de lijn, die het hoofd vormt en de lieve uitdrukking vormen met elkaar het ideale beeld. Karakteristieke kenmerken: Oplettend, vriendelijk, intelligent, sterk en actief. Temperament: Aanhankelijk en toegewijd voor de eigenaar, afstandelijk tegenover vreemden, nooit zenuwachtig. Hoofd en schedel: Een zuiver belijnd  hoofd, dat van boven of van opzij gezien een lange stompe wig vormt, die van het oor naar de neus smaller wordt. De breedte van de schedel moet evenredig zijn aan de lengte van de schedel en aan de lengte van de voorsnuit, waarbij het geheel in verhouding tot de maat van de hond bekeken moet worden. De schedel moet vlak zijn, matig breed tussen de oren, terwijl de achterhoofdknobbel niet mag uitsteken. De wangen vlak en vloeiend overgaand in een mooie ronde voorsnuit. De schedel en de voorsnuit moeten van gelijke lengte zijn, gemeten vanuit het binnenste van de ooghoek. De bovenkant van de schedel moet parallel lopen met de bovenkant van de snuit, met een lichte, maar duidelijke stop. Neus, lippen en oogranden zwart. De uitdrukking, die zo kenmerkend is voor het ras, wordt verkregen door het volmaakte evenwicht en samengaan van schedel en voorsnuit, de vorm, kleur en plaatsing van de ogen en juist geplaatste en gedragen oren. Snuit: De kaken gelijk aan elkaar, welgevormd en sterk met een goed ontwikkelde onderkaak. Lippen strak. Gebit gaaf met een volmaakte, regelmatige en compleet scharende beet, d.w.z. het bovengebit moet het ondergebit dicht overlappen en met de kaken een rechte hoek vormen. Een compleet gebit met 42 juist geplaatste tanden en kiezen is hoogst gewenst. Ogen: Middelmatig groot en schuin geplaatst, amandelvormig. Donkerbruin (behalve bij Blue Merles, waar een of beide ogen blauw mogen zijn of met blauwe vlekjes). Oren: Klein matig breed bij de aanzet, mooi dicht bij elkaar geplaatst boven op de schedel. In rust naar achter gelegd, bij aandacht naar voren gebracht en half opgericht gedragen met de tip naar voren vallend. Hals: Gespierd, goed gebogen, lang genoeg om het hoofd trots te kunnen dragen. Voorhand: De schouderbladen zeer goed naar achter geplaatst. Bij de schoft worden zij slechts door de wervels gescheiden, maar de schouderbladen moeten schuin naar buiten aflopen, zodat de ribben de gewenste welving kunnen hebben. Schoudergewricht goed gehoekt. Bovenarm en schouderblad ongeveer gelijk in lengte. De afstand schoft tot elleboog en elleboog tot grond moet gelijk zijn. Het voorbeen moet van voren gezien recht zijn, gespierd en goed gevormd met sterke botten. Polsen sterk en soepel. Lichaam: Van de schouderpunt tot aan het laagste punt van het kruis een klein beetje langer dan de schofthoogte. Borst diep, tot de punt van de elleboog reikend. Ribben goed gewelfd, terwijl de onderste helft naar beneden toe smal toeloopt, zodat de schouders en de voorbenen zich vrij kunnen bewegen. Rug recht, de lendenen sierlijk belijnd, het kruis geleidelijk naar achter aflopend. Achterhand: De dijen breed en gespierd, terwijl de botten van het dijbeen met het bekken een rechte hoek vormen. Het kniegewricht heeft een duidelijke hoeking, het spronggewricht is strak belijnd, scherp gebogen, fraai naar beneden aflopend, met sterke botten. Het spronggewricht moet van achter gezien recht zijn. Voeten: Ovaal, de zolen goed gevuld, de tenen gebogen en dicht bij elkaar. Staart: Laag aangezet, de staartwervels lopen puntig naar boven gebogen. Mag bij beweging iets hoger gedragen worden, maar nooit boven de ruglijn uitkomen. In geen geval geknikt. Gangwerk: Lenig, vloeiend en sierlijk, met stuwing uit de achterhand, de hond moet met zo weinig mogelijk inspanning een zo groot mogelijk oppervlak van de grond beslaan. In telgang lopen, breien, rollen of een stijf gangwerk, waarbij de benen stijf en steil op en neer worden bewogen, is hoogst ongewenst. Vacht: Dubbel, bovenvacht met lang, hard en recht haar, ondervacht zacht, kort en dicht. Kraag en manen zeer overvloedig, de voorbenen fraai bevederd. De achterbenen boven het spronggewricht rijkelijk met haar bedekt, onder het spronggewricht met kort haar. Snuit en voorhoofd met kort haar. Exemplaren met kortharige vacht hoogst ongewenst. Maat: Ideale hoogte aan de schoft gemeten: reuen 37 cm (14,5 inch), teven 35,5 cm (14 inch). Meer dan 2,5 cm boven of onder deze hoogte hoogst ongewenst.   Kleuren van de Sheltie: Sables: Effen of met zwarte haarpunten, elke kleurnuance tussen licht goudkleurig en mahoniekleurig, maar wel warm van tint. Wolfskleurig sable en grijs sable ongewenst. Tricolour: Diep zwart op het lichaam met warmbruine (tan) en witte aftekening Zwart-wit: Diep zwart op het lichaam met witte aftekening Blue Merle: Helder zilverkleurig blauw, zwart gemarmerd en met zwarte vlekjes. Bij voorkeur met warmbruine (tan) aftekening, maar het ontbreken daarvan wordt niet als fout gerekend. Zware zwarte platen, lei-of roestkleurige tinten in boven- en ondervacht hoogst ongewenst, de algemene indruk moet blauw zijn. "Bi-Blue": Blue merle zonder tan aftekening. Black and Tan: Driekleur zonder wit aftekening; is zeer waarschijnlijk inmiddels uitgestorven, maar is nog wel een erkende kleur bij de Sheltie.   Beschrijving van de Sheltie: De Sheltie is een opgewekte, intelligente hond. Hij is geïnteresseerd in alles, wat er om hem heen gebeurt en bemoeit zich overal mee. Het is voor hem heel belangrijk te weten, dat hij gewaardeerd wordt. Daarom probeert hij steeds zijn baas een plezier te doen. Hij moet daartoe zeker de gelegenheid krijgen anders zoekt hij er zelf één. Eén van de van nature aangegrepen gelegenheden vormt het waken. Wat de Sheltie daarbij te kort komt aan grootte, wordt gecompenseerd door zijn luidruchtigheid. Met een goede opvoeding is die luidruchtigheid wel wat in te dammen, maar dit vereist veel geduld en doorzettingsvermogen. Een Sheltie staat gereserveerd ten opzichte van vreemden. Deze gereserveerdheid mag niet verward worden met angst. Een echte Sheltie kijkt de kat uit de boom en blijft op een afstand, totdat hij ziet, dat de vreemden geaccepteerd worden door zijn baas. Hij beslist zelf of hij naar hen toe zal gaan. Zo is ook een goede begeleiding bij de kennismaking met kinderen van groot belang. Niet alle pups komen immers bij de fokker met hen in contact. Deze begeleiding is noodzakelijk om te voorkomen, dat gereserveerdheid omslaat in nerveus gedrag.